
Grondwettelijk Hof bevestigt: gemeenten en provincies mogen zichzelf geen vergunning verlenen
Op 18 september 2025 vernietigde het Grondwettelijk Hof het decreet van 19 april 2024 en bevestigde daarmee de eerdere Wasserij-rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVB).
Dat decreet gaf gemeenten en provincies de mogelijkheid om – wanneer een MER-screening vereist was – toch zelf te beslissen over hun eigen vergunningsaanvragen, waarbij de MER-screeningsnota werd beoordeeld door de omgevingsambtenaar.
Het Grondwettelijk Hof stelt nu duidelijk dat dit in strijd is met het Europees recht. Volgens het Hof moet er altijd een strikte scheiding zijn tussen de rol van aanvrager en die van beoordelaar. De betrokken omgevingsambtenaren, die worden aangesteld door de gemeenteraad of provincieraad, beschikken volgens het Hof niet over de vereiste “werkelijke autonomie” om volledig onafhankelijk te oordelen over de MER-screening.
Wat betekent dit concreet?
Gemeenten en provincies mogen niet langer zelf hun eigen dossiers behandelen zodra er een MER(-screening) vereist is. Enkel voor kleinere projecten waarvoor géén MER of screening nodig is, kunnen lokale besturen nog zelf de vergunning toekennen. Vergunningsaanvragen van steden en gemeenten die een screening vereisen, zullen voortaan dus bij de deputatie terechtkomen. Dit geldt enkel voor vergunningsaanvragen waarbij het college van burgemeester en schepenen zelf de initiatiefnemer en de aanvrager is van het project.
Wat met bestaande vergunningen?
Vergunningen die in het verleden door gemeenten of provincies aan zichzelf zijn toegekend, terwijl er een MER-screening verplicht was, kunnen nog steeds worden aangevochten (zolang de beroepstermijn loopt). Ze kunnen dus alsnog vernietigd worden.
Pogingen van de Vlaamse Regering om deze vergunningen alsnog te redden, werden door het Grondwettelijk Hof verworpen. Alleen het Europees Hof van Justitie kan, in uitzonderlijke gevallen en omwille van de rechtszekerheid, tijdelijk toestaan dat een nationale regel toch blijft gelden, ook al botst die met het Europese recht.
Toch is er een beperkte uitweg: de RvVB kan in bepaalde gevallen beslissen om de gevolgen van een onwettige vergunning toch te behouden. Volgens het Grondwettelijk Hof kan de RvVB, op grond van artikel 36 van het Vlaamse decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, de rechtsgevolgen van een omgevingsvergunning in stand houden. Het gaat daarbij om vergunningen die tot stand zijn gekomen met toepassing van de bestreden bepaling. De RvVB kan dit doen nadat hij daarover zelf een prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Hof van Justitie.
Wat betekent dit voor uw bestuur?
Lokale besturen moeten er voortaan rekening mee houden dat zij hun eigen projecten in principe niet meer zelf kunnen vergunnen zodra er een MER(-screening) in beeld komt. Dit zal de doorlooptijd van projecten mogelijk verlengen.
Voor eerder verleende vergunningen brengt dit arrest bovendien rechtsonzekerheid met zich mee, omdat deze vergunningen aangevochten kunnen worden. Wel bestaat er een kans dat de RvVB de gevolgen van een vergunning toch in stand houdt.



