Schoolstraat 20, 9420 Erpe-Mere

Publicatie in het Nieuw Juridisch Weekblad van 9 oktober 2019

Te grote grondinname bij onteigening, NjW 2019, nr. 408 – 9 oktober 2019

Ten voordele van de vordering tot herziening van de voorlopige vergoedingen kan, krachtens artikel 16 lid 2 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemenen nutte, ook de wettigheid van de onteigening of onteigeningsprocedure in het geding worden gebracht.

Een onteigening is onwettig wanneer niet aan alle cumulatieve grondwettelijke of mensenrechtelijke onteigeningsvoorwaarden is voldaan. We kijken hiervoor traditioneel naar artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, sinds 1 januari 2018 ook verankerd in artikel 3 van het Vlaams Onteigeningsdecreet. Men zou kunnen denken dat voor het gedeelte teveel ingenomen grond geen wettelijke grondslag bestaat, geen onteigeningsprocedure werd gevolgd omdat onder andere de machtiging ervoor ontbreekt en er geen vergoeding voor werd betaald en deze grondinname bijgevolg een onwettige onteigening is.

Het Hof oordeelt echter dat de vermeende grotere grondinname niet van die aard is dat de wettigheid van de onteigening of de regelmatigheid van de gevolgde onteigeningsprocedure is aangetast. Zij maakt dus eigenlijk een onderscheid tussen enerzijds de wettige onteigening van het perceel waarvoor geïntimeerde werd gemachtigd en anderzijds de onrechtmatige grondinname. Hierbij lijkt het Hof te impliceren dat een grotere grondinname geen onwettige onteigening uitmaakt, zolang de onteigening waarvoor werd gemachtigd wettig is, waardoor het niet kan leiden tot herziening van de voorlopige vergoedingen. Daarentegen kan de vermeende grotere grondinname wel een onrechtmatige grondinname zijn, waardoor het wel kan leiden tot een vordering tot schadevergoeding of ongedaanmaking.